|
Krijgt u een toevoeging van de Raad voor Rechtsbijstand, dan dient u er rekening mee te houden dat deze tussentijds ook kan worden beëindigd.
Wie rechtsbijstand nodig heeft maar dit niet kan betalen, heeft recht op financiële hulp, zoals is bepaald in de Grondwet. Dit noemen we ook wel 'gesubsidieerde rechtsbijstand' of 'toevoeging.' Wanneer u een toevoeging krijgt, betaalt De Raad voor Rechtsbijstand (RvR) in de praktijk een groot deel van de kosten voor de mediator of advocaat. Afhankelijk van uw inkomen betaalt u, als rechtshulpbehoevende, wel een eigen bijdrage. Daar zijn een aantal voorwaarden aan verbonden.
Houd er wel rekening mee dat de toevoeging tijdens de juridische procedure kan worden ingetrokken.
Altijd voorwaardelijk De RvR kent een toevoeging altijd voorwaardelijk toe. Een aanvraag voor toevoeging wordt door de Raad zowel financieel als inhoudelijk getoetst. De financiële toets dient om te bekijken of u op basis van uw financiële situatie in aanmerking komt voor gesubsidieerde rechtsbijstand. Dat betekent bijvoorbeeld dat wanneer uw financiële situatie verandert gedurende de periode dat de toevoeging geldt, dit gevolgen kan hebben voor uw recht op de toevoeging. Krijgt u bijvoorbeeld in de tussentijd een erfenis, dan bestaat de kans dat uw toevoeging wordt ingetrokken waardoor u alsnog de advocaatkosten zelf dient te betalen. De RvR kijkt derhalve ook naar de vermogensgrens.
Bezwaar en beroep tegen beëindiging Indien uw toevoeging tussentijds wordt beëindigd, dan kunt u hiertegen bezwaar maken bij de RvR binnen een termijn van zes weken. Wordt uw bezwaar vervolgens afgewezen, dan kunt u in beroep gaan bij de rechter. Wordt uw beroep vervolgens opnieuw afgewezen, dan heeft u tot slot ook nog de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan bij de Raad van State.
Niet alleen financiële situatie telt De RvR kan de toevoeging intrekken, indien u bijvoorbeeld uw medewerking aan de advocaat weigert, welke noodzakelijk is voor een goede behartiging van uw zaak. De advocaat kan tussentijds zijn medewerking opzeggen, indien er geen wederzijds vertrouwen meer is tussen advocaat en cliënt. Dit gebeurt wel eens als een cliënt aangeeft dat hij geen vertrouwen heeft in de handelswijze van zijn advocaat of niet volledig meewerkt. Als dan vervolgens blijkt dat er voor het wantrouwen van de cliënt geen basis was, dan kan hij zijn recht op een toevoeging verliezen en kan deze worden ingetrokken.
Bron: Raad van State, 26 oktober 2011, LJN BU1639 (o.a.) |